<p>Taand....</p>

Taand....

(Foto:)
Column Hans van der Wijst

Dialectdirectheid

  •   keer gelezen

Stond onlangs op het Veghelse sportpark met een bak koffie in de hand in een heerlijk eind-mei-zonnetje te wachten op de stoep voor een sportaccommodatie. In afwachting van een groep jeugdige sporters probeerde ik nog snel wat vitamine D te scoren. Nooit weg wanneer een drukte van jewelste (lees: ongebreideld enthousiasme) een ochtend lang in gestructureerde, sportieve banen moet worden geleid. 

Terwijl vitamine D en cafeïne gebroederlijk hun werk leken te doen, naderde een diep in Veghel gewortelde plaatsgenoot al wandelend mijn stand- en uitzichtpunt. Eentje waar ik eigenlijk altijd gezellig mee kan buurten. Opvallend detail: hij liet een viervoeter uit op de ouderwetse manier. Hij wandelde met zijn hond zónder smartphone in de hand! Niet Neanderthalig voorovergebogen met de ogen slechts gericht op de smartphone. Nee, déze hondenuitlater had duidelijk zicht op wat zijn hond allemaal uitspookte. Mag in de krant. Bij dezen. 

Wel kon ik zien dat hij in gedachten verzonken was. Niet vreemd op de vroege ochtend natuurlijk. Wie is er dan níet bezig z’n dagplanning op een rijtje te krijgen? Hierdoor léék het erop …ik schrijf léék… dat hij door die gedachtenverzinking mogelijk contactloos zou kunnen passeren. Dus flapte ik er een vroegtijdig en luid “Goeiemorrege” uit. Soms moet je iemand helpen de wereld om zich heen goed te blijven bekijken. Ook wanneer er géén smartphone actief in het spel is. Geen seconde kwam in me op dat ie mij misschien gewoon niet wílde zien staan. Dat bleek…gelukkig…terecht, want directe herkenning volgde spontaan. “Heej, Hans!” 

Vervolgens ontspon zich, mede als gevolg van mijn nieuwsgierigheid, een informatierijk gesprekje over de oorspronkelijke reden van zijn gepeins. Opmerkelijk daarbij was, dat we gaandeweg op de belangrijkheid van dialect uitkwamen. Hoe dat helaas in rap tempo aan het uitsterven is. Hoe fijn het is als je elkaar in ‘dezelfde taal’ kúnt, maar ook wílt spreken. Dat je zónder allerlei ‘dure woorden’ vaak veel directer en duidelijker lijkt te kúnnen zijn. 

Op zaterdag voor Pinksteren werd dat laatste wat mij betreft weer eens bewezen. Gehoord in een kringloop: “Heej…hoe is’t mi-jauw? Na dit bijna-kattengeluid volgde een voor iedereen luid hoorbare, ónonderbroken woordenstroom in één richting: “Ge ziet’ur verrekte goewt uit! Zit oew haor ánders?” (ik vermoed dat hier een nee-knikje kwam) “Bende afgevallen dan?” (waarschijnlijk weer een nee-knikje, want:) “Hedde neij taand of zo?” De rest van het gesprek is me ontgaan. Kwam niet meer bij van zóveel dialectdirectheid…

Meer berichten